Stofzuiger

Goed nieuws, mensen! Mijn nieuwe stofzuiger en ik zijn weer ‘on speaking terms’.

Ik had een heftige maand. In een paar dagen tijd gaven in huize Steensma zowel de wasmachine als de stofzuiger de geest. Heel droevig. Ik vond het al een hele tour om ons huishouden draaiende te houden met machines waarmee ik in de loop der jaren een band had opgebouwd. Die uitdaging aangaan met twee nieuwe apparaten viel me zwaar.

Het in gebruik nemen van de wasmachine stelde ik uit tot het moment dat er in het hele huis geen schone onderbroek meer te vinden was. Uiteindelijk had ik wat aanmoediging van Richard nodig om mijn angst te overwinnen. ‘Liel, stel je niet aan. Je gaat naar boven en je komt pas beneden als ik de wasmachine hoor draaien.’ Soms is hij best streng, inderdaad.

We gedragen ons nog wat onwennig ten opzichte van elkaar, de wasmachine en ik. Ik heb de neiging om toestemming te vragen als ik het deurtje wil openen. Terwijl ik het waspoederbakje behoedzaam opentrek, fluister ik: ‘Nou joh, dan ga ik nu een beetje Robijn in je bakje gieten. Goed?’ Maar zoals gezegd, het went. We hebben dan geen verleden met elkaar, ik hoop dat we samen een mooie toekomst tegemoet gaan, de wasmachine en ik. Komt wel goed.

Zo verliep het niet tussen de nieuwe stofzuiger en mij. Dat heb je soms. Het klikte gewoon niet. Ik vond het geluid dat ie produceerde intimiderend en overweldigend. Z’n zwarte hoogglans uitstraling kwam op mij nogal arrogant en hard over. Daar had ik mee kunnen leven, ware het niet dat de stofzuiger bij het eerste gebruik na een half uurtje niet meer zoog. Heel irritant. Een grote bek, maar presteren, ho maar. Er moest een oorzaak voor zijn, maar die kon ik niet snel genoeg ontdekken. Heel frustrerend.

Ik heb echt buitenproportioneel boos gedaan tegen de stofzuiger. Ik heb ‘m heel lelijk verwenst. Uit chagrijn heb ik ‘m in een hoek geflikkerd. Daarbij brak er een plastic onderdeeltje af, waarvan ik met geen mogelijkheid kon ontdekken waar het hoorde. Niet tegen Richard zeggen.

Ik paste dezelfde benadering toe als bij de wasmachine: Gewoon het contact uitstellen tot het moment dat het écht niet langer kon. Dat moment was vanmiddag. De vloer was bezaaid met confetti, restjes chips, broodkruimels, door de hitte overleden insecten en heel veel hagelslag.

Een mooi moment voor een hernieuwde kennismaking tussen die kleine, zwarte herrieschopper en mij. Wij verdienden samen een tweede kans. Ik heb de stofzuiger eerst mijn excuses aangeboden. Dat leek me redelijk. Daarna heb ik samen met Pieter de stofzuigerzak vervangen en liefdevol de buizen geïnspecteerd. Hoe we het voor elkaar kregen, weet ik niet, maar de stofzuiger zoog daarna als een dolle. Geweldig.

Uit dankbaarheid mag hij de rest van de avond in de woonkamer staan, onze nieuwe stofzuiger. Dat heeft ie wel verdiend. Ik hoop dat ie heel lang meegaat, want als het om huishoudelijke apparaten gaat, hecht ik erg aan oud en vertrouwd.

Het werkt blijkbaar hetzelfde als bij mensen: It takes al long time to grow an old friend.

Met recht: een Specktakel

Het is al halfzes als Pieter vraagt: ‘Mam, wat eten we vandaag…?’

Ik word altijd een beetje kriegel van die vraag, omdat ik maar zelden kan voldoen aan de hoge verwachting die erin doorklinkt. Ik hou niet van koken, omdat ik het niet kan. Dat geeft niet. Ik heb andere kwaliteiten.

In de hoop zoveel mogelijk huisgenoten te behagen, antwoord ik vandaag met het weinig arbeidsintensieve ‘Macaroni’. Pieter vindt het best, een ander haalt z’n neus ervoor op. Soit. Ik ben allang blij dat ik gehakt, mix (ja, ik kook uit pakjes) en elleboogjes in huis heb.

De kinderen hebben trek, dus ik begeef me mild mokkend in de richting van de keramische kookplaat. In ons vorige huis kookte ik op gas en dat ging me beter af dan koken op keramisch. Gas is lekker duidelijk: een grote of een kleine vlam. Onze keramische kookplaat vind ik onvoorspelbaar en raadselachtig.

Mijn gedachten dwalen af naar vorige week, toen ik in Haarlem was en na een dag rondstruinen door het oude centrum, aanschoof bij wereldrestaurant Specktakel. Een vriendelijke jongen bracht me de gevarieerde kaart. Omdat ik wel zin had in een beetje spektakel, maakte ik gedurfde keuzes. Voor mijn doen dan, hè?

‘Alstublieft, mevrouw. Uw rosbief van kangoeroe. Eet smakelijk.’ Een beetje spannend vond ik het wel, want ik eet niet dagelijks kangoeroe. Maar mijn reserve verdween bij de eerste hap. Toen mijn bord leeg was, deed dat oprecht een beetje pijn. Een serieus soort rouwprocesje. Echt. Ik hoopte dat ik troost zou vinden in de volgende gang.

En jawel. Na de rosbief van kangoeroe werd mij de tournedos van struisvogel voorgezet. Een perfect gekruid stukje vlees met daarbovenop een samosa gevuld met krokodillenvlees. Kleur, geur, smaak en compositie… Alles klopte. Ik voelde me intens tevreden.

Naar kunst kan je kijken. Je kunt beschrijven welke kleuren en vormen je ziet. Heel concreet. Maar als je geluk hebt, weet kunst je hart te raken en krijg je er kippenvel van.

Naar muziek kan je luisteren. Je gebruikt je oren om te horen. Maar als je je openstelt, raakt muziek zonder omweg je diepste wezen. Een intens geluksgevoel kan je dan zomaar overvallen.

Zo is het blijkbaar ook met eten. Je kunt eten proeven en de smaak benoemen. Maar soms lukt het een kok om eten te laten smaken als een stukje kunst. Dan heeft proeven meer te maken met voelen, dan met eten. Ik vind het knap.

Vandaag in huize Steensma geen struisvogel, maar macaroni. Een bruut gesis zet me weer met beide benen achter mijn keramische kookplaat. De pasta kookt over en het kookvocht drupt op de bloedhete plaat. Het wordt een zooitje. Zoals gewoonlijk.

Een keukenprinses zal ik nooit worden. Gelukkig ben ik wel heel goed in uit eten gaan. De vaardigheid om eten te ervaren in plaats van te proeven, zou ik graag verder ontwikkelen. Ik vrees dat ik de smaak te pakken heb.

Specktakel, wat mij betreft tot gauw!

 

De BADKAMER, Liel…!

‘De badkamer moet weer een keer worden schoongemaakt’, constateren mijn man en kinderen als we zondagavond samen aan de koffie zitten. ‘Oh ja…?’, reageer ik oprecht verbaasd. ‘Ja!’, roepen ze in koor.

In mijn hoofd begeef ik me naar de badkamer. Ik zie een wasbak, een bad, een douche en een wc. Ik moet me even goed concentreren op de vraag of het er ook vies is. Maar inderdaad. Ze hebben gelijk.

‘Gunst, ja… De badkamer kan wel een flinke beurt gebruiken,’ zeg ik. Ik kijk hoopvol de kring rond, benieuwd wie zich zal opwerpen voor deze klus. Maar ja, de kinderen moeten morgen naar school en Ries naar z’n werk. Eigenlijk heb ík maandag de hele dag aan mezelf. Dusss…

Als iedereen vanochtend de deur uit is, lukt het me om de klus nog een half uur voor me uit te schuiven. Ik lijd niet alleen aan een zeldzame vorm van vuilblindheid, maar ook aan procrastinatie. Een lastige combinatie. Maar het moet er nu toch van komen.

Om chloorvlekken in mijn kleren te voorkomen, ga ik de badkamer in mijn ondergoed te lijf. Dat klinkt spannender dan het eruit ziet. Mijn wangen lopen rood aan van inspanning en mijn haar plakt in slierten langs mijn gezicht. Zweetdruppeltjes zoeken via mijn rug een weg naar mijn bilnaad.

Onverschrokken ga ik zo de strijd aan met klodders tandpasta en ondefinieerbare vlekken waarvan ik vermoed dat het restjes roze haarverf zijn. Ik boen me een ongeluk op de douchedeur, waar we vanwege kalkaanslag al weken niet meer doorheen konden kijken. Het gevecht dat ik met de wc pot aanga, is intens en heftig. Ik moet me kranig weren.

Net op tijd realiseer ik me dat het niet hygiënisch is om met het doekje waarmee ik zojuist de wc heb gepoetst, nu het bekertje van de tandenborstels schoon te maken. Punt voor mij.

Tegen een zilvervisje dat ik achter de wc pot ontdek, fluister ik: ‘Wegwezen kleintje! Anders verdwijn je in mijn poetsdoek.’ Maar het beestje kan zich net niet snel genoeg uit de voetjes maken en sterft ter plekke. Tragisch.

Ik  poets en boen dat het een lieve lust is. Telkens als ik een onderdeel schoon heb, zie ik weer iets anders waar hoognodig een poetsdoek overheen moet. Ik krijg er bijna lol in. Vaalgrijs wordt weer kraakhelder wit. Prachtig.

Als ik in die flow op een gegeven moment de badkamer heb verlaten en op de overloop aan het poetsen sla, roep ik mezelf een halt toe. Stop, Liel! Je zou de BADKAMER doen. Focus! Hup. Terug naar de badkamer. De rest komt een andere keer.

Op weg naar de stofzuiger passeer ik mijn telefoon, die garant staat voor instant afleiding en vermaak. Eventjes geef ik me eraan over, maar na een minuutje Facebooken in m’n ondergoed, stinkend naar chloor, herpak ik mezelf. De BADKAMER, Liel. Terug naar de badkamer…

Met een hele vuilniszak vol lege shampooflessen, wc-rolletjes, botte scheermesjes en halflege tubes tandpasta trek ik na een uur uiterst tevreden de badkamerdeur achter me dicht.

Als ik fris gedoucht een welverdiende bak koffie voor mezelf inschenk, gaat de telefoon: ‘Hoi! Ben je druk?’ ‘Neuh… Ik heb net even de badkamer gedaan,’ zeg ik nonchalant. ‘Niks bijzonders,’ jok ik erachteraan. Ik ben blij dat mijn zelfvoldane blik niet door de telefoon te zien is. Vanbinnen juich ik. ‘Ik heb de BADKAMER gedaan, mensen!’ Het is er weer schoon en fris en als er vanmiddag een vriendje of vriendinnetje is dat er even een plasje wil doen, hoef ik me niet te schamen. Hoera!

Mijn week is weer begonnen. Als Ries vanavond staat te douchen, kan ik door de ontkalkte douchedeur naar hem zwaaien terwijl ik mijn tanden poets. Ik verheug me er nu al op.

Moederdag

 

Ik vind het leuk, moeder zijn. Als echtgenote laat ik nog weleens een steekje vallen, als huisvrouw kom ik niet geweldig uit de verf en als vriendin schiet ik regelmatig tekort. Er is geen rol waarin ik me prettiger voel, dan die van moeder. Ik voel me rijk gezegend.
Dat ík degene ben die mijn kinderen het beste kent, dat is mijn grootste schat. Door mijn doen en laten heb ik een enorme invloed op hun verdere leven. Ik voel die verantwoordelijkheid, maar ze drukt niet te zwaar.
Bij tijd en wijle vind ik het best moeilijk, moeder zijn. Soms ben ik namelijk moe. Moe van de drukte om me heen, moe van mezelf. Moe van het moederen. Dan trek ik me terug uit de onrust, terwijl ik juist krachtig aanwezig zou moeten zijn. Ik maak fouten als moeder. Omdat ik mezelf meeneem, waar ik ook ga. Zo is het leven.
Ik heb mijn kinderen lief. Ik knuffel en kus ze zolang ze dat toelaten. Mijn kinderen maken me vaak aan het lachen. Soms een schaterlach, vaak een glimlach, recht uit mijn hart.
Ik zorg voor mijn kinderen: Fiets niet zonder licht. Steek je hand uit. Neem niets aan van onbekenden. Doe niet zo eng op die trampoline. Val niet van de trap.
Mijn kinderen zijn niet heilig. Net als ikzelf. We hebben allemaal onze leuke én irritante kanten. Niets menselijks is ons vreemd. Als gezin zijn wij door duizenden onzichtbare draadjes met elkaar verbonden.
Op termijn moet ik mijn kinderen loslaten, dat weet ik heus wel. Maar nu nog even niet. Zondag 14 mei vieren we samen Moederdag. Het zelf knutselen van cadeautjes zijn mijn kinderen inmiddels ontgroeid. Maar ze verzinnen ongetwijfeld een andere manier om hun moeder te verrassen. De liefde is namelijk wederzijds. Ik kan niet wachten!
Mede-moeders, een hele goeie Moederdag.

 

(Verschenen in Veenendaal Totaal mei 2017)

‘Maarre…’

 

Ik ben met vriendinnen uit eten. Heerlijk. Wij hebben nooit veel tijd en wijn nodig om ons gesprek op het niveau te krijgen waar wij ons thuis voelen. Intens en wezenlijk.

Als we over de afgelopen Paasdagen praten, komt het gesprek op de inhoud van Pasen. ‘Maarre… jij gelooft dus letterlijk dat Jezus is opgestaan uit de dood…?’ Uit de mond van mijn vriendin klinkt het dwaas. Dwazer dan toen ik onlangs vol overtuiging Pasen vierde in de kerk. Mijn vriendinnen kennen mij als een nuchter mens, sceptisch over alles wat niet met gezond verstand te verklaren is.

Ik leg mijn bestek neer, neem nog een slok van mijn wijn en denk even na. Ik begrijp dat het ongeloofwaardig klinkt, die opstanding uit de dood, dus ik draai er voorzichtig en behendig omheen. Die opstanding uit de dood maakt geloven misschien hoogdrempeliger dan nodig. Dus ik zeg: ‘Tja… Ik was er niet bij, 2000 jaar geleden. Mijn grootste geluk en enige zekerheid in het leven, is dat God mij vasthoudt. Voor mij is het niet zo heel belangrijk of alles wat in de Bijbel staat letterlijk is gebeurd. Waar het in de Bijbel om gaat, is liefde en respect.’

Geen woord van gelogen, maar het is een zwaktebod. Dat voel ik direct. Alsof ik, net als Petrus destijds, Jezus verloochen. Ik ben niet trots op mezelf. Waarom hecht ik zoveel belang aan mijn eigen beperkte verstand? God gaat mijn menselijke denkvermogen ver te boven. Misschien is het wel veel wijzer om dát te erkennen, dan om God te beperken tot wat ík vatten kan. Wijsheid, dat is toegeven dat je niet alles verklaren kan. Ik wil mezelf niet overschatten.

Dat een graankorrel die wij in de grond begraven uitgroeit tot een plant, vind ik heel logisch. Een graankorrel die gezaaid wordt, lijkt dood. We zien ‘m niet meer. Toch is er geen boer verbaasd als er op termijn nieuw leven groeit op de plek waar de graankorrel in de grond verdween. De graankorrel lijkt dood, wordt begraven en staat later op uit de aarde. In volle glorie. Ja, ik geloof dat de graankorrel letterlijk is opgestaan uit de dood.

Wat ik ook geloof, is dat een mens minstens evenveel waard is als een graankorrel. Vind ik het dan zo moeilijk om te geloven dat een mens die sterft en in de aarde wordt gezaaid, ook uitgroeit tot iets nieuws? Mooier en volmaakter dan hij of zij al was, misschien? In een vorm die ik niet kan bevatten, maar maakt het feit dat die vorm niet in mijn beperkte hoofd past, die vorm minder waard? Ik dacht ’t niet.

Vraag nog eens aan mij: ‘Maarre… jij gelooft dus dat Jezus letterlijk is opgestaan uit de dood…?’

‘Ja,’ zeg ik dan, ‘dat geloof ik.’ Niet omdat ik het kan verklaren, maar omdat ik ervan overtuigd ben dat er ook dingen gebeuren, hele mooie dingen, waar ik niet bij kan. Sommige kennis moet je niet opslaan in je hoofd, maar in je hart.

‘Lilian, heb jij Mij werkelijk lief…?’

Heer, U weet alles…

 

(Jan van Langevelde, je preken van gisteren raakten me. Bedankt.)